“Zelfs al is onze samenleving geseculariseerd: we zijn in ons solidariteitsdenken en -handelen nog altijd sterk gekleurd door onze religieuze wortels”

Johan Vrints is adjunct-coördinator en stafmedewerker interlevensbeschouwelijke competenties bij ORBIT vzw. Vanuit deze functie staat hij midden in de kleurrijke realiteiten, uitdagingen en kansen van het Vlaamse multi-levensbeschouwelijke landschap.

Als solidariteitsorganisatie zet ORBIT vzw zich in voor het democratisch samenleven en samenwerken van mensen uit verschillende cultuurgroepen, religies en levensbeschouwingen in Vlaanderen. Concreet wordt ingezet op een effectieve aanpak van racisme, op interlevensbeschouwelijke ontmoeting, een rechtvaardig migratiebeleid, en het bevorderen van een diversiteitsbeleid in alle sectoren van de samenleving.

In juli 2022 namen we dit interview af, waarin Johan Vrints spreekt over ORBIT’s interlevensbeschouwelijke insteek wat betreft samenlevingsopbouw, verschillende visies op solidariteit in religies, diaconie en oecumene, en ontwikkelingen in onze maatschappij die mensen kwetsbaar maken.

 

Johan, sinds recent vertrekt ORBIT bij het interlevensbeschouwelijk werken veel sterker vanuit de doelstelling van samenlevingsopbouw. Wat motiveert jullie om in deze richting te gaan?

Wij leven in een samenleving die in naam en zelfherkenning heel geseculariseerd denkt en spreekt. Daarbij is er een trend om het belang van religieuze gemeenschappen aan de kant te schuiven. Zo wordt ontkend – of over het hoofd gezien – dat het actoren zijn die wel degelijk een rol spelen in de samenleving.

Wat wij echter zien bij ORBIT is dat er eigenlijk enorm veel gebeurt door religieuze, levensbeschouwelijke gemeenschappen. Ze nemen soms heel veel verantwoordelijkheden op. Jij en ik denken dan aan solidariteit, maar er beweegt nog meer: je hebt mensen die over het klimaat nadenken vanuit een religieuze of levensbeschouwelijke insteek, of rond spirituele of psychologische noden van mensen, en die daar heel veel tijd en energie aan geven. Dus wanneer wij zeggen als ORBIT dat we met het interlevensbeschouwelijke willen bezig zijn, dáár waar de samenleving evolueert of waar ze er belang bij heeft, dan zien we dat er enorm veel actoren een levensbeschouwelijke motivatie hebben. En daar willen we meer mee doen in de komende jaren.

Ik heb daar nog een kleine aanvulling bij. De motivatie om met het levensbeschouwelijke bezig te zijn binnen ORBIT, komt eigenlijk voort uit de ervaring met kerkasiel. In de jaren 80-90, wanneer lokale christelijke gemeenschappen hun deuren openden om mensen zonder wettig verblijf bescherming te geven, en de mogelijkheid collectief hun rechten te vragen, kregen deze kerken de hele wereld op hun bord. Dat waren overigens niet louter katholieke gemeenschappen, er waren er ook protestantse bij. ‘De hele wereld op hun bord’ betekent natuurlijk ook alle religies en levensbeschouwingen die onder de zon rondlopen. Dus, we zijn in wezen altijd met onze neus op die diversiteit geduwd – het is een logisch uitvloeisel om hier bewust rond te werken. 

 

Een lopend aandachtspunt van ORBIT is, lokale interlevensbeschouwelijke verbanden te helpen door acties op te zetten rond maatschappelijke uitdagingen. Kan je voorbeelden geven van lokale initiatieven waaraan jullie hebben meegewerkt?

Een hele duidelijke, denk ik, in de voorbije achttien maanden, is het trekken aan de kar van de vaccinatie. We weten dat er heel wat religieuze subgemeenschappen zijn – zonder daarbij te willen stigmatiseren kan je aan Afrikaanse kerkjes denken, bijvoorbeeld – die zich niet gehoord of onbegrepen voelen, en die bovendien door gebrek aan taalbeheersing of door socio-economische achterstelling niet helemaal mee zijn met wat er maatschappelijk gevraagd wordt inzake het bestrijden van corona. Dus wij hebben gezegd: laten we die gemeenschappen benaderen en mee aan boord krijgen, uitleggen waarover het gaat. Nooit vanuit het idee van dwang en druk. Maar ten minste vanuit de invalshoek dat mensen niet uit onbegrip keuzes maken tegen bijvoorbeeld vaccinatie. We hebben dan heel hard gelobbyd bij lokale besturen, zodat er zou gesproken worden met de vele verschillende culturele of religieuze gemeenschappen. En we hebben daar echt een campagne rond gemaakt. Dat is een voorbeeld van het zien van lokale noden.

“Eenmaal dat migrerende mensen wortels zetten hier en een nieuw leven uitbouwen – waar dus ook religie bij hoort – nemen ze in hun geadopteerde land ook verantwoordelijkheden en actieve rollen op. En daar willen we meer mee werken.”

Drie lokale noden waarvan wij ons bij uitstek bewust zijn in het werken met andere levensbeschouwingen, zijn het ritueel slachten, zelfdoding en detentie.

Bij ritueel slachten voelen we bij twee gemeenschappen een hele grote nood om partners te vinden in hun vraag naar de overheid toe. Dat zijn natuurlijk de joodse en de islamitische gemeenschap. Die vragen ons effectief: “Help ons, want hier worden regels geschreven zonder dat we gehoord worden.”

Dan is er zelfdoding. Daarover hebben we vooral van de moslimgemeenschap in Gent gehoord. Zelfdoding is dikwijls taboe-beladen, en mensen die daarmee geconfronteerd worden in het gezin en in de bredere gemeenschap, hebben heel weinig antwoorden. Met deze thema’s zijn ze dan aan de slag gegaan. We hebben hier zijdelings ondersteuning geboden – we nemen de zaken niet uit handen, we proberen wel te ondersteunen.

En een derde nood waar we echt hard rond gewerkt hebben, is detentie. Daarover hebben we een studiedag georganiseerd waarbij we aalmoezeniers van verschillende religies en levensbeschouwingen hebben samengebracht – islamitische en vrijzinnige consulenten, aalmoezeniers van diverse christelijke confessies: orthodox, evangelisch, katholiek en protestants. De twee slagzinnen van deze studiedag waren: “Ik ga naar de gevangenis en ik neem mee in mijn koffer – ik vertrek weer, wat ik neem ik mee in mijn koffer?” Het ging daarbij om de vraag: wat breng ik aan, als aalmoezenier of consulent als ik die persoonlijke relatie uitbouw met iemand in de detentie? Wat breng ik mee binnen – vanuit mezelf of de wereld – omdat ik die persoon wil helpen, en wat breng ik mee terug naar buiten? Wat geeft de persoon in detentie mij? Voor deze studiedag hebben wij eigenlijk alles uitgebouwd. Dus soms, zoals bij het thema zelfdoding, is het maar een stukje zijdelingse ondersteuning dat wij aanbieden, en voor andere thema’s zitten we meer aan het stuur.


Elke religie en levensbeschouwing promoot vormen van solidariteit. Zien jullie hierin een brugthema dat kan helpen bij een betere verstandhouding tussen religies? Of zijn deze vormen van solidariteit zo verschillend dat ze niet bijdragen tot onderlinge herkenbaarheid?

Conceptueel gaat elke religie het woord ‘solidariteit’ zeker herkennen. Maar de invulling is heel erg anders tussen de niet-monotheïstische en de monotheïstische tradities. De religies die voortkomen uit het, om zo te zeggen, joods-christelijk-islamitische origineverhaal hebben een gedeelde invulling van solidariteitsdenken en solidariteitshandelen. En dat is heel interessant. Dat heeft historische redenen die je nu nog duidelijk kan aanwijzen. Dit kan je voor de christenen terug traceren naar de periode toen de christelijke kerk haar inworteling begon, en sturend werd in een aantal steden in het oostelijke Middellandse zeegebied – in wat wij nu orthodox-christelijke landen noemen. In deze steden is toen een heel gamma aan solidariteitshandelingen ontwikkeld dat nog altijd sturend is. Help de wezen, help de weduwen – dat gaat natuurlijk oorspronkelijk terug op teksten uit de Thora.

”Ik weet dat veel mensen in het westen de islam een heel andere traditie vinden. Maar als we naar het solidariteits -en rechtvaardigheidsdenken kijken, is daar eigenlijk niet veel verschil: het is dezelfde traditie. In hun solidariteitshandelen zijn islam, jodendom en christendom heel dichte broeders of zusters van elkaar.”

In wezen gaan veel religieuze tradities zeggen: “Laten we de zwaksten helpen.” Maar wat niet op het joods-christelijk-islamitische origineverhaal teruggaat, zal dat niet exact op dezelfde manier uitdrukken. Dus zeker het animisme en boeddhisme, of het hindoeïsme en taoïsme, die hebben andere verhalen en solidariteit drukt zich daar anders uit. Want in het hindoeïsme bijvoorbeeld, wordt de totale versterving bejubeld – dus het totale verzaken aan aardse goederen. En dus is het idee dat christenen en moslims en joden hebben dat je mensen die het koud hebben moet helpen, de naakten kleden, de hongerigen voeden – totaal contra-intuïtief voor het hindoeïstische begrip van solidariteit. De prioriteit is niet dat ik die man die daar onder die vijgenboom zit en die bibbert van de kou, eten of kleren ga geven, de prioriteit is dat hij de verlichting bereikt en ons als gemeenschap tot zegen wordt. In die zin dus, hebben we te maken met uitdrukkingspatronen van solidariteit die cultureel en religieus bepaald zijn.

Maar omdat het westen door de koloniale eeuwen de hele wereld heeft gedomineerd, zit óns solidariteitsdenken intussen ook wel ingebakken in de meeste culturele en levensbeschouwelijke gemeenschappen in de wereld. Het is niet omdat het hindoeïsme of boeddhisme op bepaalde plekken anders zouden denken dan de joods-christelijk-islamitische traditie, dat er intussen toch geen gelijkenissen gegroeid zijn.

 

Laten we overgaan naar intra-religieuze werking, de christelijke oecumene. In Vlaanderen staan we qua interactie tussen diaconie en oecumene nog niet ver. Relatieopbouw tussen verschillende christelijke confessies doorheen samenwerking op diaconale projecten lijkt nog grotendeels onontgonnen terrein… Of zie ik dat verkeerd?

Ik zal eerst zeggen waarom er een stuk interactie of samenwerking ontbreekt, en dan waarom er wel al samenwerking is. Enerzijds komen we uit een traditie van intra-religieuze competitie. Nu spreek ik over een generatie of meer geleden. De gevestigde katholieke gemeenschap beschouwde de protestantse gemeenschap, evangelische gemeenschap enzovoort als bedreigend op het vlak van bekering. De bekeringsangst is een oude angst, en ik herinner me die nog vaak. Als kind groeide ik op in een traditioneel katholiek dorp, maar er was ook een evangelische gemeenschap rond het cultureel centrum, en je voelde daar de competitie. Dat competitieve denken is een oud zeer, is er nog steeds een stukje, en heeft – denk ik – samenwerking in het verleden erg moeilijk gemaakt.

Anderzijds denk ik dat we nu in een situatie aangekomen zijn waar geëngageerde mensen minder geven om de exacte religieuze identiteit van de persoon met wie ze samenwerken. Als ik vandaag trekker ben van een katholieke lokale werkgroep, en ik wil actie voeren rond bijvoorbeeld een veiliger verkeersovergang aan mijn school, en die andere gemotiveerde persoon is protestants of evangelisch christen – dat is allemaal fijn. In die zin is het vroegere competitieve denken eigenlijk bijna omgedraaid. Dit natuurlijk ook omdat de katholieke gemeenschap vandaag sterk gekrompen is en het niet meer mogelijk is beroep te doen op de kracht van het eigen getal. Heel duidelijk zie ik vandaag samenwerking rond opvang van mensen uit migratie – het is een thema waar geëngageerde groepen van protestanten en katholieken elkaar eigenlijk steeds meer vinden. En Oekraïne is dan weer een voorbeeld van waar orthodoxe gemeenschappen plots ook aan boord komen in het helpen bij opvang van migranten. Ja, vormen van oecumenische samenwerking zijn groeiende vandaag.

“De logische terreinen waar je interreligieus kunt rond samenwerken omdat ze al geïnspireerd aanwezig zijn bij bijna elke gemeenschap zijn solidariteit, rechtvaardigheidskwesties, en de zorg voor de wereld en het klimaat. Dus inderdaad: hoe kan het solidariteitshandelen dat er is, meer samengebracht worden? Of hoe kan er uitgenodigd worden tot gezamenlijk solidariteitshandelen? Dat zijn twee trajecten voor de toekomst.”

 

Voor Vlamingen die niet langer vertrouwd zijn met de christelijke traditie is “diaconie” een onbegrepen woord. Wat is diaconie voor jou? Wat vind jij daarin het wezenlijke?

Er zijn termen die gewoon moeilijk te vervangen zijn. Eén van de grote termen die ik in mijn job al zo lang meesleep en die niet te vervangen zijn, is ‘levensbeschouwing’. Al bij al een zwaar woord. Bij ‘levensbeschouwing’ gaan mensen nog wel voelen dat het een woord is van hun eigen taal – ik schouw mijn leven… Bij ‘diaconie’ ligt het ingewikkelder omdat het een woord van andere origine is, ik moet in mijn hoofd eigenlijk onmiddellijk een vertaling doen. Als ik dat woord nog nooit gehoord heb, heb ik geen enkele kapstok om die vertaling te doen, dus er is daar een moeilijkheid.

Diaconie, puur de term zoals ik die ken, is sociale actie aan de basis. Ik ben een kind van ouders die diakens zijn in de lokale parochiegemeenschap. Mijn ouders hebben altijd veel sociale actie gedaan, speciaal hebben ze een heleboel mensen van Afrikaanse origine geholpen – ik heb ze altijd hulp zien geven aan hulpbehoevenden. Maar dat hulp geven aan hulpbehoevenden kan heel divers zijn: niet enkel de naakten kleden en de hongerigen voeden, maar ook de papierwinkel in orde maken van asielzoekers en dat soort zaken. We kunnen de origine van de term natuurlijk niet loskoppelen van het christelijke verhaal, maar in de brede zin van het woord is diaconie voor mij alle vormen van doorvertalen van je overtuigingen in je leven, naar het doen en ondernemen van sociale actie.

Al bij al lijkt het toch wel een duidelijk christelijk woord. Je kan er niet onmiddellijk mee uitpakken naar andere levensbeschouwingen toe, omdat het geen gedeelde woordenschat is.

Nee, dat is een groot probleem, en ik voel dat eigenlijk ook aan bij de woordenschat van de islam. Ok, alles is een proces, en we zijn een samenleving die nu al wel weet wat een imam en een iftar is. Maar tegelijk zijn er nog veel andere woorden die heel cruciaal zijn voor de islam, die de Vlaming niet kent. Ik snap dat ook wel. Maar als er een extra aantal islamitische woorden tot de publieke woordenschat zou behoren, dan zijn we meer geholpen, natuurlijk. Waarschijnlijk kennen de mensen van het Vlaams Belang veel meer Arabische woordenschat dan de doorsnee Vlaming – een paradox, toch?

“Twee grote uitdagingen? Dat de overheidsregelgeving minder en minder de kwetsbaren in de samenleving lijkt te helpen, en de wens van de overheid om meer en meer zaken te privatiseren”.

 

De christelijke solidariteitsorganisaties in Vlaanderen hebben een waakzame functie: ze zijn alert op, en zetten zich in voor de kwetsbare groepen in de samenleving. Als je kijkt naar de huidige koers die onze samenleving vaart, zijn er dan ontwikkelingen waarover je aan de alarmbel wil trekken?

Enerzijds is er de grote uitdaging dat de overheidsregelgeving minder en minder de kwetsbaren lijkt te helpen. Dus omdat de overheid verzwakt, of krimpt. Terwijl wij ervan uitgaan dat de overheid helpt, natuurlijk – we leven in een land waar we denken dat de OCMW voor iedereen tussenkomt. Wat ik zie is dat mensen geld geven aan goede projecten – de Vlamingen hebben een gul hart, daar ga ik van uit. Maar ik zie dat mensen ook denken dat de overheid de oplosser is van tal van zaken. Maar de tendens is een overheid die met steeds minder middelen zit, en die minder de geldende regels kan afdwingen. Wat groepen mensen in een kwetsbare situatie brengt, natuurlijk.

En het tweede dat ik zie – misschien heeft het met het eerste te maken, misschien ook niet – is de wens van de overheid om meer en meer zaken te privatiseren. Het grote voorbeeld daarbij zijn de humanitaire corridors, waarbij privé-actoren mensen op eigen initiatief mochten overbrengen vanuit Syrië. Dit is het privatiseren van zaken die eigenlijk aan de overheid toekomen. We zien dus dat mensen het meer en meer individueel moeten organiseren. Terwijl wij komen van een evolutie die startte in de negentiende eeuw, waarbij een collectivisering van verantwoordelijkheden tot stand werd gebracht. Dat gebeurde vanuit de logica dat er zaken zijn die het individu niet kan dragen op momenten van crisis: gezondheidsuitdagingen of de zorg voor jongere kinderen, bijvoorbeeld. Dat is waarom we zaken hebben gecollectiviseerd, in sociale zekerheid en dergelijke. En als die sociale zekerheid nu begint te verzwakken, zijn stukken steungarantie moeilijker te verkrijgen.

De kwetsbare groepen zijn door de Coronajaren natuurlijk extra hard gekwetst. Er zijn veel kwetsuren komen bloot te liggen in de voorbije tweeëneenhalf jaar, denk ik, die daarvoor nog niet zo diep of zo zichtbaar waren. En klassieke opvangmaatregelen zijn onder druk komen te staan door corona, of moeten op een bepaalde manier terug opgebouwd of geheroriënteerd worden. Ik weet niet hoeveel daaraan gedaan wordt vanwege de overheid. We hebben geen negatieve overheid die niets wil doen. Dat is het goede. Maar we hebben wel een overheid die misschien niet genoeg wil zien wat er moet gebeuren.

 


Clipboard01

BroederlijkDelen logoNEW FullColorWeb 160px logocaritas 110px Caritas int be cmyk 110px Afbeelding7 orbit2 paxchristi present logo 110 180228 LogoWZS 120px wzz logo vzw 200px